Blog

De zelfrijdende auto vanuit de psychologie en filosofie

(deze blog is in iets andere vorm eerder verschenen op reiskostenblog.nl en gepubliceerd in Rij-instructie, onafhankelijk vakblad voor de verkeersopleiding, 2014, 49, 1, 25-26)

 

De zelfrijdende auto vanuit de psychologie en filosofie

De mens is een zoogdier, min of meer een roofdier zelfs. We willen beheersen en overheersen en dat kan op verschillende manieren. De meest beschaafde manier ongetwijfeld, is meedoen in de wedloop der wetenschap, aanhaken bij de zich steeds verder ontwikkelende mogelijkheden der technologie. En, leve de ironie, ons onwrikbare geloof in de ontplooiing van de menselijke ratio is zo sterk, dat het met enig recht van spreken irrationeel genoemd mag worden.

Een en ander wordt mooi verbeeld door de ‘zelfrijdende auto.’ Jarenlang werd hier aan gewerkt in de ‘technology driven twilightzone’ waar gewone stervelingen geen toegang hebben. Nu is de tijd gekomen om het aan het daglicht bloot te stellen. Het is voldoende ver ontwikkeld om gedeeld te worden met de gewone mobilist. Zodoende kunnen we er ons allemaal een beetje voor op de borst slaan: ‘dat hebben we toch maar weer mooi geflikt als mensheid.’

The poetry of motion

Vanaf het begin van de 20ste eeuw is autobezit niet louter voor een klein groepje rijken weggelegd. Dankzij een combinatie van economische ontwikkelingen, nobele wetenschappelijke motieven en soms ook minder nobele politieke idealen, werd de auto (heel langzaam) iets voor iedereen. De fascinatie voor de machine die ons ronkend en puffend geluk kwam brengen, is grenzeloos. Zoals Kenneth Grahame het in 1908 (!) verwoordt in ‘The Wind in the Willows’ als Mr. Toad stralend van trots de eerste automobiel komt showen : “Glorious, stirring sight! The poetry of motion! The real way to travel! The only way to travel! Here today–in next week tomorrow! Villages skipped, towns and cities jumped–always somebody else’s horizon! O bliss!”

Wind_in_the_Willows___Roadster_by_zeeworks

Onze wereld zou nooit meer hetzelfde zijn. Met de auto veranderde de menselijke psyche. Afstanden werden  kleiner en gemakkelijker overbrugbaar. Een gevoel van vrijheid nestelde zich stevig in onze beleving van dit  magistrale technische hoogstandje.

 

 

Van Tin Lizzy tot ‘Créative Technologie’

Vanaf de massaproductie van de T-Ford (bijgenaamd ‘Tin Lizzy’, ‘in any colour as long as it’s black’)  ontwikkelde de auto zich van krakend koekblik tot rijdende computer. De laatste jaren gaat het hard.  Gedreven door concurrentie zien fabrikanten zich genoodzaakt hun troetelkindjes te blijven voorzien van de allerlaatste snufjes. Elk voordeel heeft zijn nadeel. Adaptive cruise control, lane assistent, automatisch inparkeren, file-assistentie, start-stop-systemen. De een zweert erbij, voor de ander doet het afbreuk aan het autorijden; de ultieme beheersing van het voertuig. Nieuwe technieken, lang van te voren in autobladen aangekondigd en waar likkebaardend naar uit wordt gezien, blijken eenmaal ingebouwd bij velen een dubbel gevoel op te roepen. Het maakt autorijden minder leuk. Fascinatie verbleekt tot inertie en frustratie.

ford-model-t-coupe_black_0

 Emoties aan banden

Tegelijk met fascinatie, status en gemak, bracht de auto ons een psychologische uitlaatklep van formaat.  Anonimiteit, macht, territoriumdrift en ideaal instrumentarium voor identificatie en compensatie verenigde  zich in het stalen ros. Een heerlijke mentale cocktail. Licht ontvlambaar voor sommigen, maar voor de  meesten een geriefelijk emotioneel mengsel dat bij tijd en wijle voor ontspanning en ontlading kan zorgen.

Daar komt nu wellicht verandering in. Volgens onze minister zullen binnen twintig jaar alle auto’s op de  Nederlandse wegen ‘zelfrijdend’ zijn. Waarmee mogelijk de contradictie tussen ‘vooruitgang’ en ‘eigen  controle’ wordt geaccentueerd. Mocht onverhoopt de fascinatie voor deze technieken tegenvallen of de drang om zelf de machine te beheersen groter blijken, dan gaat de overheid ingrijpen. “Ik verwacht dat we op een gegeven moment voertuigeisen gaan stellen, zoals we dat nu doen op het gebied van veiligheid en milieu”, stelt minister Melanie Schultz van Infrastructuur, “En als straks blijkt dat een zelfsturende auto echt levens redt dan moet je ze invoeren.”

zelfrijdende auto

 Strijd tussen ‘oude’ en ‘moderne’ techniek

In de filosofie wordt onderscheid gemaakt tussen oude en moderne techniek. De auto is tot ons gekomen als  een product van de oude techniek: het was een werktuig wiens taak het was ons leven te vergemakkelijken en  onze mogelijkheden te verruimen. Bij de ‘oude techniek’ wordt de menselijke maat niet overstegen; de mens  moet de techniek kunnen overzien en beheersen. Maar, zoals gezegd bleek er tussen mens en auto een  uitzonderlijke psychische klik. We raakten er aan gehecht. En nu staan we aan de vooravond van de volgende  fase: een volledige overgave aan de moderne techniek. We worden aanhangsels van de machines die we ooit  bedienden.

Prof. dr. ir. Bart van Arem van de TU Delft legt het uit: “In plaats van ogen heeft de auto sensoren, camera’s  en radar. In plaats van oren heeft het een soort wifi-variant voor auto’s en de computers vormen de hersenen. Die interpreteren de waarneming en bepalen wat er moet gebeuren.” De techniek die door de mens zelf is voortgebracht, gaat de mens bedreigen. Of in ieder geval zijn pleziertjes afpakken. Tot die tijd houden we de bedrieglijke schijn dat we nog steeds heer en meester zijn. Uiteindelijk krijgt een van de grote filosofen van de vorige eeuw, Martin Heidegger, dan toch gelijk: ‘Hoe meer machines, hoe minder mens.’

De zelf-stilstaande file

Met de ‘zelf-stilstaande file’ die aldus een feit is geworden, hebben we – hoe knap – het openbaar vervoer opnieuw uitgevonden. Een bijzonder inefficiënte variant met zeer veel lege plaatsen. Onze enige hoop is dat het natransport beter is geregeld dan nu. Als de zelf-ontkoppelende auto’s zich losmaken uit de in zichzelf-berustende sliert op de snelweg, zou je theoretisch gemakkelijker naar je bestemming moeten worden gebracht. Maar was het niet dezelfde minister die kort geleden gesteld heeft dat meer asfalt smeren geen zin heeft, omdat we toch niet meer met z’n allen de stad in kunnen? De lol van de zelfrijdende auto (een pleonasme overigens) moet zich dan maar afspelen op de paar kilometer tussen de file en de P+R-voorziening waar we in het reguliere ov overstappen.

IMG_3945

Serieuze oplossingen biedt de zelfrijdende auto dus nauwelijks. Waarom wordt er dan zoveel in geïnvesteerd?  Misschien omdat we hiermee de wereld om ons heen weer een klein stukje verder kunnen overheersen. Of  misschien juist het tegendeel: omdat we het point-of-no-return al voorbij zijn. Binnen dertig jaar overschrijdt  het aantal internetknooppunten het aantal hersencellen in het menselijk brein. Dan kan de technologie een  eigen leven gaan leiden.

Tot die tijd blijf ik gewoon regelmatig gebruik maken van de zelfrijdende trein en kies ik zo nu en dan bewust  voor mijn niet-zelfrijdende auto. Heerlijk! Zolang het nog kan.

 

Referenties

– Achterhuis, H. , 1992, De maat van de techniek, Ambo, Baarn.
– Benschop, L., 2013, Schultz verwacht binnen twintig jaar zelfrijdende auto’s, Nu.nl.
– Ellian, A. 2011, Zal techniek de mens gaan overheersen? Elsevier.
– Gabreëls. K., 2012, Bordewijk en het beest , Een interpretatie van Bordewijks grotesken in                               cultuurfilosofische context, Vooys, jaargang 13, Utrecht.
– Grahame, K., 1908, The Wind in the Willows, Methuen Publishing: Methuen and Co, London.
– Heidegger, M., 1962, Die Technik Und Die Kehre, Klett-Cotta, Stuttgart.
– Oortmerssen, G. van, 2009, Darwin en het Internet, Inaugurale rede, Universiteit van Tilburg.

 

2 Comments

  1. A.L. Ruiter says:

    Geachte heer Tertoolen,
    leuk, om de filosofie er eens bij te halen en daarbij bovendien Martin Heidegger te noemen en te citeren. Kunt u mij aangeven, waar ik het door u gebruikte citaat van deze filosoof kan vinden?
    Ik dank u voor de te nemen moeite.
    Met vriendelijke groet,
    Alex Ruiter

    • Gerard Tertoolen says:

      Beste Alex,

      Dank voor de reactie. De uitspraak van Heidegger die ik geciteerd heb is afkomstig uit Heidegger, M. (1954), Die Frage nach der Technik. In: Die Technik und die Kehre. Stuttgart: Verlag Günther Neske. Deze referentie is onderaan de blog opgenomen. Ik hoop dat dit is wat je bedoelde. Zo niet, dan hoor ik het graag.

      GT

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*